Meet Fie-Trude, a fictional time traveler with a deeply human soul. Her short stories are mostly inspired by real-life experiences, sometimes reimagined in different time periods — creating space for wonder, recognition, and a touch of humor.

Each story is a small journey, both backward and forward, gently inviting you to pause. Not just to reflect on what was, but to consider what could still be.

Because between the lines, there’s always a message — for those slow enough to truly read it.

  • Fie-Trude had read: “Free canoeing in Mechelen, in exchange for some litter from the Dijle.”

    “Free and ecological? Those are my two favourite words!” she exclaimed, as she stuffed her best gardening gloves and a grabber from Wibra into her bike bag.

    At the Dijle, the canoe was ready. Unattended. No explanation, no instructions, no warning sign. Just a boat and her good old common sense.

    She placed her left foot in the canoe. It slowly began to turn away from the dock as if it thought, “All right, we’re good to go!”

    Fie-Trude stood there, legs spread wide, like a mermaid straddling two continents.

    “Oh no, this is Twister on water,” she muttered.

    She still tried to act gracefully, but her right foot slipped, her grabber shot into the air like a javelin, and she landed flat on her back in the canoe—like a sack of potatoes with flair.

    After ten seconds of complete silence, a polite round of applause could be heard from a tourist with an ice cream, standing on a nearby bridge.

    Fie-Trude gave a thumbs-up. “All under control!”

    While paddling, she fished with great dedication: plastic bottles, a flip-flop, half a pair of sunglasses, and something that suspiciously resembled a Tupperware lid from 1993.

    “Wow,” she said to herself, “the Dijle is basically an open-air thrift store.”

    But the real show came when she tried to dock. No steps, no pole, just a quay and her pride.

    She tossed her grabber onto the dock (“in case I sink”), picked up speed… and tried to step out of the canoe like a water-walking Jesus.

    The result: she ended up belly-down on the quay, legs still in the canoe, and started sliding slowly back toward the water.

    “NO NO NO NO!” she yelled, clutching at an old rusty bicycle that also happened to be lying there.

    With plenty of snorting, groaning, and the grace of a stranded, mis-moored sea lion, she managed to haul herself back onto dry land.

    A passerby asked, “Are you all right, ma’am?”

    Fie-Trude pulled a sheet of algae from her hair, looked up with dignity, and said:

    “I’ve freed the Dijle from a tub of fry sauce. And myself from a sedentary life. Try and top that.”

    🇧🇪 De zeemeermin op twee continenten

    Fie-Trude had gelezen: “Gratis kano varen in Mechelen, in ruil voor wat zwerfvuil uit de Dijle.”

    “Gratis en ecologisch? Dat zijn mijn twee lievelingswoorden!” riep ze, terwijl ze haar beste tuinhandschoenen en een grijptang van de Wibra in haar fietstas stak.

    Aan de Dijle lag de kano klaar. Onbewaakt. Geen uitleg, geen instructies, geen waarschuwingsbordje. Gewoon een boot en haar gezond boerenverstand.

    Ze zette haar linkervoet in de kano. Die begon zich langzaam van de steiger af te draaien alsof hij dacht: “T’is in orde, we kunnen vertrekken!”

    Fie-Trude stond wijdbeens, als een zeemeermin op twee continenten.

    “Allez, nee, da’s hier Twister op water,” mompelde ze.

    Ze probeerde nog elegant te doen, maar haar rechtervoet gleed weg, haar grijptang floepte als een speer de lucht in, en ze plofte uiteindelijk ruggelings in de kano als een zak aardappelen met stijl.

    Na tien seconden absolute stilte, klonk er ergens op een brug een voorzichtig applausje van een toerist met een ijsje.

    Fie-Trude stak haar duim op. “Alles onder controle!”

    Tijdens het varen viste ze met overgave: plastic flessen, een slipper, een halve zonnebril, iets wat verdacht veel leek op een Tupperware-deksel uit 1993.

    “Goh,” zei ze tegen zichzelf, “de Dijle is precies een openluchtkringloopwinkel.”

    Maar het echte spektakel kwam bij het aanmeren. Geen trapje, geen paaltje, enkel een kade en haar trots.

    Ze gooide haar grijptang op de steiger (“voor als ik zink”), nam vaart… en probeerde uit de kano te stappen zoals een Jezus die op het water kan lopen.

    Resultaat: ze lag met haar buik op de kade, benen nog in de kano, en begon langzaam achteruit terug te schuiven richting water.

    “NEE NEE NEE NEE!” riep ze, terwijl ze zich vastklampte aan een oude roestige fiets die daar ook lag.

    Met veel gesnuif, gekreun en de gratie van een verkeerd aangemeerde verwilderde zeehond wist ze zich op het droge te hijsen.

    Een voorbijganger vroeg: “Alles ok, mevrouw?”

    Fie-Trude haalde een algenblad uit haar haar, keek waardig omhoog en zei:

    “Ik heb de Dijle bevrijd van een frituursauspot. En mezelf van het zittend leven. Doe dat maar na.”

    ← [Back to homepage](https://timeless-quest.com)

  • After karaoke with weeping accountants and a cocktail full of unspoken emotions, Fie-trude decided it was time for rest. Real rest. Silence. A chance to enjoy typically Japanese minimalism.

    She booked a night in a capsule hotel.

    “A unique Japanese experience,” the website said.

    “Minimalism at its finest.”

    “Perfect for the traveler with low expectations and slim hips.”

    She hadn’t read that last part. She would feel it later.

    Upon arrival, she was greeted with a plastic slipper and a locker. The receptionist handed her a key and whispered something in Japanese that sounded like either a spell or a warning.

    “Your room is… capsule 7B.”

    Room.

    That word turned out to be misleading.

    Because what Fie-trude got wasn’t a room.

    It was a… drawer.

    A warmly lit sliding drawer, a kind of human-sized breadbox with a sliding door, a mirror, and a tiny TV that only showed gently swimming fish.

    She looked at the opening, then at her suitcase, then back at the opening.

    “No way. Not even my self-respect could squeeze through that.”

    She wriggled into her capsule with all the elegance of a traveling shrimp. Her suitcase got stuck halfway. When she shoved it in, she bashed her knee against the capsule’s ceiling. A dull “THUMP.”

    “So soothing,” she whispered sarcastically.

    When she finally lay on her back, completely flat, with the ceiling five centimeters above her nose, she thought:

    “Ah. So this is what it feels like to be locked in the drawer of a closet.”

    But it got even better.

    Her neighbor — capsule 7A — apparently had a runny nose and a smartphone addiction.

    To the left: sniffing.

    To the right: someone in the middle of a midnight TikTok marathon.

    Above her: someone snoring in a way that sounded like they were alternately drowning and being rescued by a vacuum cleaner.

    Fie-trude tried to turn over.

    No luck. Her elbow got stuck behind her ear.

    “Okay,” she whispered. “We breathe. We think calm thoughts. We are a hedgehog on a sofa. We are not a human in a drawer.”

    And just as she was about to drift off…

    …the capsule began to vibrate softly.

    “NO,” she whispered, “that’s not an earthquake, that’s my neighbor turning over and shifting the entire closet with him!”

    In the morning, she rolled out of her capsule like a limp sheet of lasagna, staggered toward the shower (which mysteriously welcomed her with Japanese jazz), and later wrote in her diary:

    DAY 8 IN TOKYO

    Slept in a drawer.

    Mobility comparable to a grilled cheese sandwich in a toaster.

    Lesson learned: claustrophobia is real, and silence is relative.

    Verdict: do it once, then go back to hotels where you can sneeze upright without cracking your forehead.

    She laughed on her way out.

    And thought:

    “What if I try something luxurious tomorrow?”

    She looked at her phone.

    Next suggestion:

    “Thermal spa with wine-filled baths.” ??

    🇧🇪 De Nacht in de Lade van de kast.

    Na karaoke met huilende boekhouders en een cocktail vol onuitgesproken emoties besloot Fie-trude dat het tijd was voor rust. Echte rust. Stilte. Genieten van typisch Japans minimalisme.

    Ze boekte een nacht in een capsulehotel.

    “Een unieke Japanse ervaring,” stond er op de website.

    “Minimalisme ten top.”

    “Perfect voor de reiziger met weinig eisen en slanke heupen.”

    Dat laatste had ze niet gelezen. Dat zou ze later voelen.

    Bij aankomst werd ze verwelkomd met een plastic pantoffel en een locker. De receptioniste overhandigde haar een sleutel en fluisterde iets in het Japans wat klonk als een spreuk. Of een waarschuwing.

    “Uw kamer is… kapsule 7B.”

    Kamer.

    Dat woord bleek misleidend.

    Want wat Fie-trude kreeg was geen kamer.

    Het was een… lade.

    Een warm verlichte schuif, een soort menselijke brooddoos met een schuifdeur, een spiegel en een klein tv’tje dat alleen kabbelende vissen uitzond.

    Ze keek naar de opening, naar haar koffer, dan terug naar de opening.

    “Dat past nooit. Zelfs mijn zelfrespect raakt daar amper door.”

    Ze wurmde zich in haar capsule met de elegantie van een reizende garnaal. Haar koffer bleef half buiten steken. Toen ze hem erin duwde, ramde ze haar knie tegen het plafond van de capsule. Een doffe “KLOEF.”

    “Rustgevend,” fluisterde ze sarcastisch.

    Toen ze uiteindelijk op haar rug lag, volledig plat, met het plafond vijf centimeter boven haar neus, dacht ze:

    “Ah. Dus zo voelt het om opgesloten te zitten in de lade van een kast.”

    Maar het werd nog beter.

    Haar buurvrouw — kapsule 7A — had blijkbaar een snotneus én een smartphoneverslaving.

    Links hoorde ze gesnuif.

    Rechts het klikken van iemand die blijkbaar aan een nachtelijke TikTok-marathon bezig was.

    Boven haar: iemand die snurkte op een manier die klonk alsof hij afwisselend verdronk en daarna gered werd door een stofzuiger.

    Fie-trude probeerde zich om te draaien.

    Dat ging dus niet. Haar elleboog zat vast achter haar oor.

    “Oké,” fluisterde ze. “We ademen. We denken aan rustige dingen. We zijn een egel op een sofa. We zijn géén mens in een lade.”

    En net toen ze bijna in slaap viel…

    … begon de capsule zachtjes te vibreren.

    “NEE,” fluisterde ze, “dat is geen aardbeving, dat is mijn buur die zich omdraait en de hele kast mee verschuift!”

    ’s Ochtends rolde ze uit haar capsule als een slap lint lasagne, strompelde naar de douche (die haar op mysterieuze wijze verwelkomde met Japanse jazzmuziek) en schreef daarna in haar dagboek:

    DAG 8 IN TOKYO

    Geslapen in een schuif.

    Beweeglijkheid te omschrijven als een croque-monsieur in een broodrooster.

    Geleerd: claustrofobie is écht, en stilte is relatief.

    Oordeel: één keer doen, daarna terug naar hotels waar je rechtop kunt niezen zonder je voorhoofd te breken.

    Ze lachte bij het buitengaan.

    En dacht:

    “Wat als ik morgen iets luxueus probeer?”

    Ze keek op haar telefoon.

    Volgende suggestie:

    “Thermal spa met baden vol wijn.”??

    ← [Back to homepage](https://timeless-quest.com)

  • After her overdose of muscle power and thigh vibrations at sumo training, Fie-trude thought, “Now time for something light. Something relaxing. Something that doesn’t thump in my chest.”

    She wandered into a random side street, searching for sushi or silence. But then she spotted a glowing sign with pink neon letters:

    “KARAOKE PARADISE – Sing your soul!”

    She chuckled. “Why not? I’ve already had coffee with a hedgehog. Let me now sing into a mic that probably knows 34 viruses by name.”

    A hyper-friendly staff member in a glittery shirt ushered her in and assigned her a private room. “Private box,” he said, beaming. “For your emotional freedom.”

    She sank onto a faux-leather couch and flipped through the song catalog. ABBA, Queen, Beyoncé… “Plenty of choices for a breakdown,” she muttered.

    But before she could pick, the door swung open.

    Three Japanese businessmen in suits, mid-fifties, ties loosened, eyes gleaming from sake, stepped inside.

    “Konbanwa!” they cheered. “You join us!”

    Fie-trude, completely caught off guard but too polite to refuse, bowed back and mumbled, “Uh… sure, why not?”

    Within five minutes, a tray of drinks appeared, a tambourine landed on the table, and one of the men shouted enthusiastically,

    “Celine Dion! Titanic song!”

    And then it happened.

    With utmost seriousness, one of them grabbed the microphone, closed his eyes, and began singing My Heart Will Go On as if his wife, dog, and favorite bonsai had just left him.

    His colleague accompanied him on the tambourine. The third quietly wept.

    Fie-trude sat there, mojito in hand, thinking,

    “What in God’s name am I witnessing? This isn’t karaoke. This is an emotional exorcism.”

    When her turn came, she didn’t dare choose anything but a Belgian classic.

    She found… nothing.

    So she sang “Dancing Queen” with a trembling voice while the three men swayed with closed eyes, as if in a church.

    At the end, the karaoke host gave them all a sticker:

    “You sang from your kokoro (heart)!”

    Later, in her hotel room, Fie-trude wrote:

    DAY 7 IN TOKYO

    Sang ABBA with three crying accountants.

    One of them, Hiroshi, said I have “the voice of a gentle autumn breeze.”

    Someone played the tambourine like his pension depended on it.

    Am I touched? Yes.

    Am I confused? Absolutely.

    Japan, what are you doing to me?

    She flopped onto the bed and sighed.

    What would tomorrow bring?

    An owl café? A hair salon with geishas? Rooftop yoga with goats?

    She didn’t know.

    But she did know she wouldn’t be surprised anymore.

    Maybe.

    🇧🇪 De Tranen van Celine Dion

    Na haar overdosis spierkracht en dijenvibraties bij de sumotraining dacht Fie-trude: “Nu iets lichts. Iets ontspannends. Iets dat niet dreunt in mijn borstkas.”

    Ze liep een willekeurige zijstraat in, op zoek naar sushi of stilte. Maar plots zag ze een verlicht uithangbord met roze neonletters:

    “KARAOKE PARADISE – Sing your soul!”

    Ze grinnikte. “Waarom ook niet? Ik heb al met een egel koffie gedronken. Laat me nu maar zingen met een micro die waarschijnlijk al 34 virussen kent bij naam.”

    Ze werd binnengeloodst door een hypervriendelijke medewerker in glitterhemd en kreeg een eigen kamertje toegewezen. “Private box,” zei hij stralend. “For your emotional freedom.”

    Ze ging zitten op een kunstlederen bank en bladerde wat in de songcatalogus. ABBA, Queen, Beyoncé… “Genoeg keus voor een breakdown,” mompelde ze.

    Maar voor ze iets kon kiezen, ging de deur plots open.

    Drie Japanse zakenmannen in pak stapten binnen. Midden vijftig, das los, ogen glinsterend van sake.

    “Konbanwa!” riepen ze vrolijk. “You join us!”

    Fie-trude, compleet overrompeld maar te beleefd om nee te zeggen, boog terug en murmelde: “Eh… graag zeker?”

    Binnen vijf minuten stond er een dienblad met drankjes, lag er een tambourijn op tafel, en riep een van de mannen enthousiast:

    “Celine Dion! Titanic song!”

    En toen gebeurde het.

    Met absolute ernst greep een van hen de microfoon, sloot zijn ogen, en begon My Heart Will Go On te zingen alsof zijn vrouw, hond én favoriete bonsai hem net verlaten hadden.

    Zijn collega begeleidde hem met de tambourijn. De derde huilde zacht.

    Fie-trude zat erbij, een mojito in de hand, en dacht:

    “Wat in godsnaam ben ik nu weer aan het meemaken? Dit is geen karaoke. Dit is een emotioneel exorcisme.”

    Toen ze aan de beurt kwam, durfde ze niet anders dan een Belgische klassieker op te zoeken.

    Ze vond… niets.

    Dus zong ze “Dancing Queen” met trillende stem, terwijl de drie heren met gesloten ogen meedeinden alsof ze in een kerk zaten.

    Bij het afscheid kregen ze allemaal een sticker van de karaokehost:

    “You sang from your kokoro (hart)!”

    Later, in haar hotelkamer, schreef Fie-trude:

    DAG 7 IN TOKYO

    Heb ABBA gezongen met drie huilende boekhouders.

    Eén ervan heet Hiroshi. Hij zei dat ik “de stem van een zachte herfstbries” heb.

    Iemand sloeg op een tambourijn alsof zijn pensioen ervan afhing.

    Ben ik ontroerd? Ja.

    Ben ik in de war? Absoluut.

    Japan, wat doet ge met mij?

    Ze plofte op bed en zuchtte.

    Wat zou het morgen zijn?

    Een uilenbar? Een kapsalon met geisha’s? Een yogales op een dak met geiten?

    Ze wist het niet.

    Maar ze wist wél dat ze er niet meer raar van zou opkijken.

    Misschien.

    ← [Back to homepage](https://timeless-quest.com)

  • On day six of her Japan trip, Fie-trude decided it was time to do “something cultural.”

    She had already shared a drink with a hedgehog in a plastic living room, nearly been run over by a costumed Yoshi in a kart, and had accidentally ordered a hot chocolate from a cyborg with glitter boobs in a robot café.

    Now it was time for: tradition. Peace. Respect. Zen.

    Which is how she ended up sitting on a small cushion in a wooden training hall in Ryogoku, between two whispering Japanese ladies of at least eighty, quietly nibbling bags of rice crackers.

    In front of her: a sumo training session.

    What Fie-trude expected from sumo wrestling:

    → two chubby gentlemen with topknots gently pushing each other and puffing a bit.

    What she saw:

    → living mountains of flesh slamming into each other with the force of a tsunami, sweating like fountains, and growling like a blender full of bricks.

    Every time the wrestlers collided, Fie-trude felt her seat shake. The ground rumbled. Her sunglasses slid down her nose. The elderly woman to her left snapped a photo without blinking. The one to her right had already dozed off.

    “My god,” Fie-trude whispered, “even when they sit still, those men cause earthquakes.”

    The wrestlers wore traditional mawashi—a sort of loincloth, but in a way that revealed far more than her values, comfort zone, and capacity for eye contact could handle. Fie-trude didn’t know where to look.

    “No one warned her that watching sumo is actually: sixty percent staring at thighs, twenty percent footwork, and twenty percent praying you don’t die of second-hand embarrassment,” she mentally noted.

    When one of the giants slapped his own chest with a thunderclap (as if rebooting his heart), Fie-trude instinctively shot upright. The ladies beside her didn’t flinch. Clearly, they were seasoned veterans of explosive torso-slaps before breakfast.

    And then… the sounds. Oh, the sounds.

    Groaning, stomping, panting, growling… One wrestler made a stretching noise so intense it sounded like he was giving birth to a minivan.

    Fie-trude tried to discreetly pull out her notebook.

    DAY 6 IN TOKYO:

    Went to watch sumo training.

    Saw more naked armpits and thighs than during a sauna-themed evening.

    The floor shakes. My seat creaks.

    Respect for these men.

    And a bit of back pain from holding in my laughter.

    When it was over, everyone bowed politely. Fie-trude bowed too—though after so much bending forward, she could barely keep her balance.

    She shuffled outside, half deaf from all the bodily violence, half in awe of the discipline. And completely confused.

    “I think I just pulled a muscle I didn’t even know I had,” she sighed as she slipped her sandals back on.

    🇧🇪 De Trillende Tempel van het Vlees

    Op dag zes van haar Japanreis besloot Fie-trude dat ze “iets cultureels” moest doen.

    Ze had al een drankje gedeeld met een egel in een plastic woonkamer, werd bijna aangereden door een verklede Yoshi op een kart, en had in een robotcafé per ongeluk een hot chocolate besteld bij een cyborg met glitterborsten.

    Nu dus: traditie. Rust. Respect. Zen.

    En daarom zat ze nu op een klein kussentje in een houten trainingshal in Ryogoku, tussen twee fluisterende Japanse dames van minstens tachtig, die zakjes rijstwafels knabbelden.

    Voor haar: een sumotraining.

    Wat Fie-trude zich bij sumoworstelen had voorgesteld:

    → twee mollige heren met knotjes die een beetje duwden en zachtjes tegen elkaar pufden.

    Wat ze zag:

    → levende bergen vlees die met de kracht van een tsunami tegen elkaar knalden, zweet spuwden als fonteinen, en gromden als een blender vol bakstenen.

    Elke keer dat twee worstelaars elkaar raakten, voelde Fie-trude haar stoel bewegen. De grond dreunde. Haar zonnebril verschoof op haar neus. De linkerbejaarde naast haar nam een foto zonder te knipperen. De rechterbejaarde sliep al.

    “Allez,” fluisterde Fie-trude, “die mannen maken zelfs van stilzitten een aardbeving.”

    De worstelaars waren gehuld in traditionele mawashi — een soort lendendoek, maar dan op een manier die meer bloot liet zien dan haar normen, waarden en oogcontact aankonden. Fie-trude wist niet waar ze moest kijken.

    “Niemand heeft haar gewaarschuwd dat sumo kijken eigenlijk is: zestig procent staren naar dijen, twintig procent naar voetwerk, en twintig procent hopen dat je niet sterft van schaamte,” noteerde ze in haar hoofd.

    Toen een van de reuzen met een reuzenklap zijn eigen borst sloeg (alsof hij zijn hart wilde rebooten), schoot Fie-trude recht uit reflex. De dames schrokken niet. Die hadden duidelijk al jaren ervaring met explosieve klappen op blote torso’s vóór de ochtendkoffie.

    En dan… de geluiden. Oh, de geluiden.

    Het gekreun, gestamp, gehijg, gegrom… Eén worstelaar deed tijdens het rekken een geluid alsof hij ter plekke beviel van een minivan.

    Fie-trude probeerde discreet haar notitieboekje boven te halen.

    DAG 6 IN TOKYO:

    Ben naar een sumotraining gaan kijken.

    Heb meer naakte oksels en dijen gezien dan op een sauna-avond.

    De vloer beeft. Mijn stoel kraakt.

    Respect voor deze mannen.

    En een beetje rugpijn van het ingehouden lachen.

    Toen het afgelopen was, boog iedereen beleefd. Fie-trude ook, al kon ze door het vele vooroverbuigen haar evenwicht nauwelijks houden.

    Ze schuifelde naar buiten, half doof van het lichaamgeweld, half onder de indruk van de discipline. En helemaal in de war.

    “Ik denk dat ik een spier heb die ik zelf niet eens heb,” zuchtte ze terwijl ze haar sandalen weer aantrok.

    ← [Back to homepage](https://timeless-quest.com)

  • Fie-trude had made up her mind: today, no robots, no lasers, no costumed people livestreaming themselves meowing in public.

    Today, she wanted something calm. Something involving a warm drink. Maybe a piece of cake.

    She typed “cozy café” into her phone and clicked the first suggestion:

    “Harry Hedgehog Café – coffee and hedgehogs.”

    “Well,” she muttered, “if a cat can do it, surely a hedgehog can too?”

    Ten minutes later, she was standing in her socks (shoes off, of course) in a pastel-colored room where whispering girls with cameras were hunched over… plastic containers.

    Not just any containers. Each one was a miniature living room. With a tiny sofa, a tiny TV, a tiny bed—even a tiny cactus in a tiny pot. And in the middle of all that IKEA-for-mice sat… a hedgehog.

    Cozy. As if he’d been paying rent there for years.

    “This cannot be real,” whispered Fie-trude, watching as a Japanese girl gently photographed a hedgehog lying on a mini bed with a tiny pair of glasses on his snout.

    An employee in a sweater that said “HEDGEHOG = JOY” gave her a polite bow and asked,

    “Would you like to meet… Mr. Pudding?”

    Before she could answer, she was already holding her own container—a plastic hedgehog apartment. Inside: a miniature dining room, a lounge corner, and a ladder that led absolutely nowhere. In the center lounged Mr. Pudding, a chubby spiky creature with the expression of someone who had just survived three Zoom meetings in a row.

    “He… lives here?” asked Fie-trude.

    “Of course! You can feed him mealworms,” the employee beamed. “And maybe… he will use the tiny couch!”

    Fie-trude was handed a pair of tweezers and a small box of wriggling mealworms.

    “You’re telling me I’m supposed to feed him? While he lounges in his little living room?”

    She leaned in toward Mr. Pudding. The creature looked at her, then at the worm, and settled in like a tiny emperor in his imperial plastic palace.

    She barely dared to breathe.

    “Would he like a coffee, too?” she whispered sarcastically. “Or maybe a newspaper?”

    The hot chocolate she’d ordered—for herself—was now cold.

    She’d spent an hour watching a hedgehog in a dollhouse eat a worm. And yes, she’d even taken a photo of Mr. Pudding on his miniature toilet (purely decorative, but complete with a toilet paper holder).

    In her notebook, she wrote:

    DAY 5 IN TOKYO:

    Today I had coffee with a hedgehog who has a nicer apartment than my cousins.

    He lay on a little couch. I sat on a stool.

    He dined à la carte. I drank cold chocolate milk.

    Pretty sure he’s my superior.

    As she left, the employee gave her a sticker of Mr. Pudding with the words:

    “Home is where the Hedgehog is.”

    Fie-trude nodded solemnly. She now understood everything.

    And also absolutely nothing

    🇧🇪 De Woonst van Meneer Stekel

    Fie-trude had beslist: vandaag géén robots, géén lasers, géén verklede mensen die zichzelf streamden terwijl ze in het openbaar miauwden.

    Vandaag wou ze iets rustigs. Iets met een warm drankje. Misschien een stukje cake. Ze zocht “gezellig café” op haar telefoon en klikte op de eerste suggestie:

    “Harry Hedgehog Café – koffie én egels.”

    “Welja,” mompelde ze. “Wat een kat kan, kan een egel ook, zeker?”

    Tien minuten later stond ze op haar sokken (schoenen moesten uit, uiteraard) in een pastelkleurige ruimte waar fluisterende meisjes met fototoestellen gebogen zaten over… plastic bakjes.

    Niet zomaar bakjes. Elk bakje was een soort miniatuurwoonkamer. Met een sofaatje, een tv’tje, een bedje, zelfs een piepkleine cactus in een pot. En in het midden van al dat IKEA voor muizenformaat zat… een egel.

    Gemoedelijk. Alsof hij al jaren de huur betaalde.

    “Dit kan toch niet waar zijn,” fluisterde Fie-trude, terwijl ze keek hoe een Japans meisje voorzichtig een egel fotografeerde terwijl hij op het minibedje lag met een mini-bril op zijn snuit.

    Een medewerker in een trui met het opschrift “EGEL = VREUGDE” gaf haar een vriendelijk buiginkje en vroeg beleefd: “Would you like to meet… Mr. Pudding?”

    Voor ze iets kon zeggen, stond ze daar al met haar eigen bakje. Een plastic egelappartement. Binnenin: een mini-eetkamer, een loungehoekje, en een laddertje dat nergens heen leidde. In het midden lag Mr. Pudding, een chubby stekelding met een blik alsof hij al drie Zoom-meetings achter de rug had.

    “Hij… woont hier?” vroeg Fie-trude.

    “Of course! You can feed him mealworms,” zei de medewerker vrolijk. “And maybe… he will use the tiny couch!”

    Fie-trude kreeg een pincet en een klein doosje met wriemelende meelwormen.

    “Maar allé… ik moet hem ook voederen? Terwijl hij in zijn salon ligt?”

    Ze boog zich naar Mr. Pudding. Het beest keek haar aan, dan naar de worm, en ging er gezapig voor liggen zoals een keizer in zijn keizerlijk plastieken paleis.

    Ze durfde nauwelijks te ademen.

    “Wil hij ook een koffietje misschien?” fluisterde ze sarcastisch. “Of een krant?”

    De hot chocolate die ze besteld had — voor zichzelf — was inmiddels koud. Ze had een uur lang gekeken hoe een egel in een poppenhuis een worm at. En ja, ze had zelfs een foto genomen van Mr. Pudding op zijn mini-toilet (dat puur decoratief was, maar wel met wc-rolhouder).

    In haar notitieboekje schreef ze:

    DAG 5 IN TOKYO:

    Vandaag hot chocolate gedronken met een egel die een mooier appartement heeft dan mijn nichten.

    Hij lag op een zeteltje. Ik zat op een kruk.

    Hij at à la carte. Ik dronk koude chocolate milk.

    Denk dat hij mijn meerdere is.

    Toen ze vertrok, gaf de medewerker haar een sticker mee van Mr. Pudding met de tekst “Home is where the Hedgehog is.”

    Fie-trude knikte plechtig. Ze begreep nu eindelijk alles.

    En ook absoluut niets.