
One chilly morning in 1425, Lady Fie-Trude van Mechelen, a wanderlust-filled fifty-something, strolled near St. Rumbold’s Tower, craving a bowl of steaming porridge and a pilgrimage. Mid-prayer, zap! A flash, a gust, and suddenly she was in 2025, same tower, but the world? “By St. Rumbold, is this a witch’s fair?” Fie-Trude squealed, clutching her rosary. Honking carts with no horses, folks with shiny boxes stuck to their faces, and lights blinking like angry eyes! “Has the world gone mad?” she gasped, eyes like saucers.
In her Mechelen, trade hummed, church bells rang, and chatter flowed over bread and beer in cozy inns. Life was raw but snug—everyone shared stew and tall tales. Now? People sat alone in glossy “cafés,” glued to those odd boxes. Her stomach rumbled, so she shuffled to Rumbold’s Eatery. The glass door? “Devil’s trick!” she snorted, shoving until a chuckling lad opened it. “Menu, ma’am?” Fie-Trude snatched the paper: “Soo-shee? Is that a curse?” The lad grinned and pointed to “croquettes.” When they arrived, crispy and piping hot, she crowed: “No porridge, but heavenly!” With sauce on her chin, she munched away. The bill? “Four coins for dough? That’s a goat!” A passerby paid with a magic card, leaving Fie-Trude’s jaw agape.
She giggled, but gaped: such sorcery! Women in trousers, food like paintings, but no one chatted like in her lively taverns. “What a cold affair!” she muttered. The lesson? Nothing beats a meal with laughing faces and good talk. Ditch those cursed boxes, share croquettes, and savor—that makes life cozy, then and now!
End.
Op een koele ochtend in 1425 kuierde vrouwe Fie-Trude van Mechelen, een reislustige vijftiger, rond de Sint-Romboutstoren, smachtend naar een kom dampende pap en een pelgrimstocht. Midden in een gebedje floep! Een lichtflits, een windvlaag, en ineens stond ze in 2025, zelfde toren, maar de wereld? “Bij Sint-Rombout, is dit een heksenmarkt?” piepte Fie-Trude, haar rozenkrans fijnknijpend. Toeterende karren zonder paarden, lui met glimmende doosjes voor hun snuit, en lichten die knipperden als boze ogen! “Is de wereld gek geworden?” hijgde ze, ogen als schotels.
In haar Mechelen gonsde het van handel, kerkklokken en geklets bij brood en bier in warme herbergen. Het leven was rauw maar knus – iedereen deelde stoofpot en sterke verhalen. Nu? Mensen zaten alleen in blinkende “cafés”, starend naar die rare doosjes. Haar maag rommelde, dus strompelde ze naar Rombouts Eethuis. De glazen deur? “Duivelse truc!” brieste ze, duwend tot een grinnikende jongen opendeed. “Menukaart, mevrouw?” Fie-Trude graaide het papier: “Soo-shi? Is dat een vloek?” De jongen lachte en wees op “kroketten”. Toen die kwamen, knapperig en gloeiend, kraaide ze: “Geen pap, maar hemels!” Met saus op haar kin smulde ze. De rekening? “Vier munten voor deeg? Da’s een geit!” Een passant betaalde met een toverkaart, Fie-Trude’s mond open als een stadspoort.
Ze giechelde, maar schrok: wat een toverij! Vrouwen in broeken, eten als schilderijen, maar niemand kletste zoals in haar bruisende taveernes. “Zo’n kille boel!” mompelde ze. De les? Niets klopt een maaltijd met lachende gezichten en goede praat. Leg die vervloekte doosjes weg, eet samen kroketten en geniet – dát maakt het leven gezellig, toen en nu!
Einde.
Leave a comment